‘Hier enige nieuwe moorden etc. inlassen’. De oerversie van De donkere kamer van Damokles

door Peter Kegel

Van Willem Frederik Hermans is bekend dat hij ontstaansmateriaal en vroege versies van zijn romans en verhalen als het even kon vernietigde. Het manuscript ‘Een overgevoelige natuur’ bleef dan ook alleen door een gelukkig toeval bewaard. Bij zijn verhuizing van Haren naar Parijs in 1973 verkocht Hermans een deel van zijn bibliotheek, waarbij hij een dummy van een Van Oorschot-uitgave van Multatuli’s Woutertje Pieterse uit 1950 aanzag voor een gewoon boek. Het belandde bij een antiquariaat, waar het werd verkocht zonder dat verkoper en koper wisten dat het Woutertje Pieterse-boek een dummy was met daarin een eerste aanzet van Hermans’ beroemdste roman. Pas in 2004 werd het ontstaan van de oerversie bekend, toen het manuscript werd aangeboden bij veilinghuis Bubb Kuyper in Haarlem. Het kon worden aangekocht door het Literatuurmuseum.

 

‘Een overgevoelige natuur’

 

Alleen al het begin van dat ‘oermanuscript’ is fascinerend. Helemaal bovenaan de eerste pagina noteert Hermans de titel van zijn novelle in wording: ‘Een overgevoelige natuur’. Die titel wordt direct verklaard op de eerste pagina, waar hij bovendien zijn nog naamloze ik-personage introduceert. Maar blijkbaar ontevreden met deze opening haalt Hermans de pagina in zijn geheel door: het moet anders. Of opnieuw anders, want een rafelrand wijst erop dat er al een pagina uit de band is gescheurd.

Na de doorgehaalde pagina begint ‘Een overgevoelige natuur’ opnieuw. Het is opgezet als een verhaal en was oorspronkelijk bedoeld voor de bundel Paranoia, die Hermans in 1953 bij uitgeverij Van Oorschot publiceerde, maar Hermans slaagde er niet in om het als zodanig uit te werken. De tekst bleef liggen en zou de basis vormen voor De donkere kamer van Damokles (1958), waarmee hij voor het eerst, en tot zijn eigen verbazing, succes oogstte bij de kritiek en een groter leespubliek bereikte.

Het manuscript heeft veel elementen die voor de lezer van De donkere kamer van Damokles herkenbaar zijn: de oorlog is vijf dagen oud en de ik-verteller, wiens vader is overleden, is eigenaar van een sigarenwinkel. Anders dan in de roman bevindt de sigarenwinkel zich niet in Voorschoten, maar in Leidschendam, en bovendien is de ik-verteller niet alleen getrouwd, maar ook vader van twee kinderen. Met zijn gezin woont hij achter de winkel, de bovenste verdieping van het pand is voor zijn moeder en twee Leidse studenten.

Het concept-verhaal wijkt in veel opzichten af van de latere roman – de vader is bijvoorbeeld niet vermoord door de moeder, maar heeft zich jaren eerder ‘tijdens de aan de oorlog voorafgegane malaise’ verhangen – maar het vroege manuscript geeft een fascinerend inzicht in het ontstaan van een klein, maar cruciaal fragment van wat zes jaar later De donkere kamer van Damokles zou worden.

‘wij waren werkelijk precies even groot en even breed’

 

In het manuscript beschrijft de ik-verteller, die verderop Osewoudt blijkt te heten, zijn optreden als burgerwacht tijdens de eerste oorlogsdagen. Hij doet verslag van een bezoek van soldaten aan zijn sigarenwinkel, waarbij hij kennismaakt met een zekere Jagtman, voor wie hij een filmpje moet ontwikkelen.

 

Bij een tweede bezoek van Jagtman aan de winkel signaleert Osewoudt de sprekende gelijkenis tussen Jagtman en zichzelf: ‘En toen zag ik wat hij twee dagen eerder al had gezien: wij waren werkelijk precies even groot en even breed. Zelfs onze gezichten leken op elkaar.’ Osewoudt verstopt het uniform van Jagtman en krijgt van hem nog eens twee (naar later blijkt waardeloze) films te ontwikkelen.

 

Bij een nieuwe ontmoeting vraagt Jagtman Osewoudts hulp bij een geplande aanslag in Haarlem, die in het manuscript gedetailleerd wordt beschreven. Na de aanslag lukt het Osewoudt niet meer om met Jagtman in contact te komen. Hij besluit de eerste film van Jagtman te ontwikkelen en wordt daarbij lastiggevallen door zijn moeder: een foto met Jagtman en twee vriendinnen bij het adres Kleine Houtweg 32 wordt zwart. Osewoudt gaat op zoek naar Jagtman en reist naar het Legmeerplein in Amsterdam. Daar valt niet veel meer te ontdekken: die nacht is er een bom gevallen op dat adres. Wat er met Jagtman is gebeurd, is niet duidelijk.

‘Nu ben ik kaal, en wat er van mijn haar over is, is grijs.’

 

Tot zover de overeenkomsten tussen manuscript en roman. Verschillen zijn er uiteraard ook. Om te beginnen het feit dat ‘Een overgevoelige natuur’ ná de oorlog, door een terugblikkende ik-verteller, wordt verhaald: ‘Nu ben ik kaal, en wat er van mijn haar over is, is grijs.’ En minstens zo opvallend: er is nog geen spoor van Dorbeck in de novelle. Ook andere personages hebben namen die afwijken van de namen die Hermans in de roman zou gebruiken, soms ook zijn de ‘namen’ in het manuscript nog oningevulde, letterlijk lege plekken. Namen van personages hield Hermans vaak tot laat in het creatieve proces open.

 

‘geschreven voorjaar 1952. Rest vergeten.’

 

Nadat Hermans had beschreven hoe, enkele maanden na de gebeurtenissen op het Legmeerplein, een zekere ‘juffrouw van Dalen’ zich meldt in Osewoudts sigarenwinkel met een bericht van Jagtman, volgen nog maar enkele pagina’s. In het verhaal is het dan inmiddels februari 1941. Naar aanleiding van het bezoek van juffrouw van Dalen krijgt Osewoudt ruzie met zijn vrouw, die meer over het meisje lijkt te weten, iets waarvoor Osewoudt tracht een logische verklaring te vinden. En bij die poging van Osewoudt tot reconstructie houdt het manuscript, na een laatste, doorgehaalde zin, abrupt op, direct gevolgd door de mededeling: ‘geschreven voorjaar 1952. Rest vergeten.’

 

Die mededeling, hoewel later toegevoegd, staat er als betrof het de onvermijdelijke uitkomst van het schrijfproces. Alsof Hermans tijdens het haastige schrijven al bang was zijn greep op het verhaal te verliezen en daar ook inderdaad, en bijna letterlijk, mee vastliep. Dat haastige, gejaagde voorkomen van zijn handschrift blijkt onder andere uit het herhaaldelijk doorstrepen van korte, kernachtig geformuleerde zinnen, om die meteen weer te vervangen door meer in detail uitgewerkte passages. De veronderstelling dat Hermans al schrijvend verstrikt raakte in de complicaties die het verhaal met zich meebracht wordt versterkt door het feit dat, kort voor de fatale opmerking ‘Rest vergeten’, gebeurtenissen uit het verhaal dubbel worden verteld.

 

‘Hier enige nieuwe moorden etc. inlassen.’

 

Maar het handschrift laat ook nog iets anders zien. Tussen de doorhalingen, correcties en aanvullingen is er één kleine notitie die verstrekkende gevolgen zou hebben: bij de beschrijving van het bezoek van ‘Juffrouw van Dalen’ aan de sigarenwinkel van Osewoudt voegde Hermans op de linkerpagina een potloodaantekening toe: ‘Hier enige nieuwe moorden etc. inlassen. Telkens komt iemand zich legitimeren met een foto. Op ’t laatst geeft hij het pakje weer aan juffrouw van Dalen.’

Hermans verschafte zich met deze cruciale aantekening een uitweg uit de impasse waarin hij met de novelle was geraakt. Daarmee bevat het manuscript een voor de ontstaansgeschiedenis van De donkere kamer van Damokles heel belangrijke creatieve impuls. Het belang van de aantekening voor hemzelf blijkt ook uit de voortzetting van het manuscript op de allerlaatste pagina, dus ná zijn notitie ‘Rest vergeten’. Daar maakte hij een begin met het vervolg van het verhaal: in de winkel van Osewoudt verschijnt een zekere Kolbak, die zich met behulp van een foto legitimeert: ‘Hij beweerde dat hij in Engeland was geweest en hier contact moest opnemen met “sneeuwpop” en “gasmasker”. Zelf identificeerde hij zich met de foto van Jagtman op de motorfiets, die een van de foto’s was geweest uit het pakje dat ik aan juffrouw van Dalen had meegegeven.’

 

‘Het nieuwe boek wordt hoogst sensationeel’

 

Anderhalve zin verder breekt het manuscript na 43 pagina’s definitief af, maar Hermans is op een later moment met de uitwerking van dit idee verder gegaan. Veel daarover is bij gebrek aan bronnen onbekend. Maar begin 1954, opnieuw een cruciaal stadium in het ontstaan van de roman, omdat Hermans op dat moment ook de openingshoofdstukken van De donkere kamer van Damokles heeft bedacht, is hij er overduidelijk in geslaagd de ‘nieuwe moorden etc.’ hun plaats te geven in de roman, zoals blijkt uit een brief aan zijn uitgever Geert van Oorschot:

‘Het nieuwe boek wordt hoogst sensationeel. De hoofdpersoon is als zevenmaandskind geboren in een po. Naderhand adviseert hij zijn moeder hoe zijn vader te vermoorden. Vader dood, volgt hij hem op in diens sigarenwinkel. Hij speelt, tijdens de bezetting een hoogst bloeddorstige en somtijds dubieuze rol.’

 

(Hermans aan Geert van Oorschot, 25 januari 1954)

In de brief geeft Hermans ook een outline van de plot van de roman, en hij voorspelt zijn uitgever tevens een groot commercieel succes: ‘ – Zoals je ziet, een boek waar het Nederlandse publiek ogenblikkelijk 2.000.000 ex. van koopt.’ Het schrijven van de roman kostte Hermans vervolgens nog eens meer dan vier jaar, en daarmee bracht hij Van Oorschot geregeld tot wanhoop.

Maar een commercieel succes werd het wel. De donkere kamer van Damokles kreeg lovende kritieken. Herdrukken volgden al snel, en tijdens Hermans’ leven werd het boek meer dan dertig keer herdrukt. Inmiddels is de roman in meer dan tien talen beschikbaar, en met de ruim 800.000 (!) exemplaren die in 2012 van de roman werden gedrukt tijdens de ‘Nederland leest!’-campagne zijn die twee miljoen exemplaren misschien niet eens zo heel ver weg meer. Dat had Hermans in 1954 dus al goed gezien.

Colofon

Een eerdere versie van dit artikel verscheen op de website Textualscholarship.nl.