Maar wij bemoeien ons niet

door Hanna Bervoets
De tekeningen van Rie Cramer

Het doorspitten van Rie Cramers archief is een vreemde ervaring. Ik ben met deze tekeningen opgegroeid, besef ik. Wij hadden thuis het prachtig geïllustreerde Sprookjes van Grimm; prentenboek A is een Aapje lag bij een bevriend gezin, zelfs de miniatuurtjes van elfjes herken ik. Ik heb alleen nooit geweten dat ze door dezelfde persoon getekend waren. Nu ik dat wel weet, en me in Cramer heb verdiept, voel ik zowel nostalgie als vervreemding bij het bestuderen van haar tekeningen.

Cramers werk was tot in Engeland populair. Haar kleine zeemeermin en elfjes werden door duizenden kinderogen opgeslokt, ik moet het idee dat ze er alleen voor mij waren dus loslaten: ik waande me een individu maar was al die tijd onderdeel van een collectief (misschien is volwassen worden niets anders dan het accepteren van dat inzicht) – deze figuren waren van alle kinderen die ze zagen, van alle ouders die die kinderen voorlazen, maar toch vooral van Rie Cramer, een geweldige kunstenaar, vind ik nu.

Maar waarom?

 

Authentieke kunstenaar

 

De biografietjes die ik van haar vond (in het biografisch woordenboek van het Huygens Instituut, op Wikipedia of in bewonderende blogposts) lijken een gesamtwerk; de steeds terugkomende informatie in steeds dezelfde formuleringen verraadt noeste copy-paste-arbeid. Zo lees ik telkens deze feiten, soms in een net iets andere volgorde:

 

Rie Cramer werd in 1887 in Nederlands-Indië geboren. Als kind kwam ze naar Nederland, daar ging ze naar de kunstacademie, op haar negentiende stuurde ze haar werk naar uitgever W. de Haan. Haar eerste publicatie, Van meisjes en jongens, was meteen een succes, vanaf dat moment had Cramer altijd werk. Haar definitieve doorbraak kwam in de jaren twintig, toen ze de sprookjes van Grimm, Andersen en Moeder de Gans illustreerde. Ze maakte zeer gedetailleerde pentekeningen die ze kleurde met een aquarelverf. Daarbij gebruikte Cramer veel tere pasteltinten, haar prenten ogen desalniettemin modern en verraden art-deco-invloeden. Critici beschouwen dit werk als het beste uit haar carrière.

 

(Bij het lezen van deze bewering vraag ik me steeds weer af wie die ‘critici’ zijn, en hoe ze eruitzien. Ik stel me nu een rij witte mannen voor die Cramers schetsen een voor een op een lichtbak leggen. Dezen!, stellen ze na een middag vast: Ja, dezen zijn het beste, en nu is het tijd voor een sigaretje, dan kunnen we vanavond verder met het oeuvre van Fiep Westendorp!)

 

Cramers latere werk vormt een breuk met dat van ervoor. Haar tekeningen hebben een stevigere omtreklijn gekregen. Ze zijn minder gedetailleerd, minder subtiel en de kleuren zijn feller. In haar kinderboeken, waar ze vaak zelf de versjes voor schreef, zou Cramer vooral deze stijl blijven hanteren; de vorm zou de rest van haar leven razend populair blijven.

Rie Cramer is twee keer getrouwd en beide keren weer gescheiden.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakt ze versjes voor het verzet. Ze woont op dat moment in bij het bevriende echtpaar Verbeek en later, na de oorlog, zou zij dit echtpaar bij haar in huis nemen. Begin jaren vijftig verhuist Cramer naar Mallorca met haar beste vriendin, kunstenares Fransje Carbasius. Samen maken ze aardewerk dat ze verkopen aan toeristen.

Wanneer haar gezondheid achteruitgaat, verhuist Cramer terug naar Nederland, waar ze op negenentachtigjarige leeftijd overlijdt in het Rosa Spierhuis. Ze laat bijna tweehonderd kinderboeken en een paar romans na, en daarnaast nog talloze prenten, ansichtkaarten, reclameposters, toneelteksten en ontwerpen voor theaterkostuums.

 

Ik moet bekennen: het vernemen van deze kale autobiografische gegevens stemde me tevreden. Waarschijnlijk omdat ik in Cramers levenskeuzes mijn eigen idealen wil herkennen (Het verzet! Vriendschap boven huwelijk! Passie voor de kunsten, en o dat arbeidsethos!).

De romantische mythe van de authentieke kunstenaar maakt nu eenmaal dat we het werk en de persoonlijkheid van het genie niet los van elkaar willen zien; we willen de kunstenaar niet alleen bewonderen om wat ze maakt, maar ook om wie ze is – stelt één van beiden teleur dan raken we verward, raakt onze bewondering besmet en daarmee wijzelf: hoe hadden we kunnen inzetten op de verkeerde held?

Rie Cramers ogenschijnlijk progressieve inborst maakt haar een aantrekkelijke held. Maar komt die vooruitstrevendheid ook terug in haar tekeningen? En waarom trekken die mij zo?

 

Creatief proces

 

Ik sluit niet uit dat nostalgie een filter voor mijn ogen schuift dat de afbeeldingen van Rie Cramer extra doet stralen. Toch is dat niet het enige. Het is vooral Cramers vroege werk dat me raakt – wat dat betreft sluit ik me, enigszins schoorvoetend, bij ‘de critici’ aan. Hoe langer ik naar de prenten kijk, hoe beter ik de aantrekkingskracht ervan begrijp.

 

Het archiefmapje met Cramers tekeningen is dun, er zitten maar een paar prenten in (misschien maar goed ook, het lijkt nogal zonde tekeningen af te dekken in een depot). Ik bekijk de prenten lang en aandachtig, schud mijn jeugdherinneringen af en kijk opnieuw, dit keer met de blik van de volwassene, voor wie de tekeningen niet meer gaan over wie erop staan (sorry, elfjes) maar over wie ze heeft gemaakt: het werk in mijn handen niet langer een autonome decoratie maar het product van een creatief proces.

Dan gaan me een paar dingen opvallen.

 

De figuren in deze prenten lachen niet. Althans, niet van harte. De meeste jongens, meisjes en prinsessen die de tekeningen bevolken hebben een wat gelaten uitdrukking op het gezicht. Kijk bijvoorbeeld naar het meisje in het bloemenveld. Zwijgend tuurt ze de verte in. Het grote wijde niets stemt haar, zo te zien, eerder melancholisch dan vrolijk.

Het jongetje in het Bloemenhuis kijkt ronduit angstig, de koningskinderen lijken dapper. De paar figuren die wel opgewekt ogen hebben iets geniepig. Neem de vrouwen om Cupido’s kooitje: ze lachen, maar hun blijdschap oogt sadistisch.

En dan is er die prent van Assepoester – naar haar keek ik het langst. Assepoester verliest haar schoen in deze scène: dat gebeurde per ongeluk, heb ik altijd gedacht. Maar zie hoe Cramer deze jonge vrouw neerzet. Assepoester kijkt de toeschouwer zelfbewust aan.

Ja, ik zie wat u ziet, zegt haar blik. Ik verloor zojuist mijn muiltje, maar weet u wat: ik laat het lekker liggen.

Zo krijgt het sprookje een andere lading. Assepoester is niet langer een slachtoffer dat reageert op omstandigheden maar een vrouw die actief voor een betere toekomst vecht.

Of: een manipulatieve prinses.

De gebeeldhouwde engeltjes onder aan de trap onthouden zich in elk geval van commentaar; zij staren ronduit stoïcijns voor zich uit.

Zulke zwijgende toeschouwers komen vaker terug in Cramers werk. Kijk naar het hondje naast de spelende kinderen, of de pop in het Bloemenhuis. Ze doen me denken aan die afbeelding van Kermit de Kikker met een kop thee, een plaatje dat in internetdiscussies vaak als ontregelende joker wordt ingezet ‘Maar ik bemoei me niet’, staat eronder. De engeltjes en poppen in het werk van Cramer communiceren hetzelfde, hun nonchalante blik heeft iets ironisch, nodigt ons uit te relativeren.

Maar wij bemoeien ons niet.

 

De kinderen in Cramers vroege tekeningen relativeren ondertussen niets. Zij zijn bloedserieus bezig met bloedserieuze kinderdingen. Een bootje varen, een karretje trekken, de gordijnen opzij schuiven.

De kinderen in het Bloemenhuis ogen angstig, maar ook onderzoekend: wat gebeurt daar buiten? Het herinnert me eraan hoe ik als kind zelf graag detective speelde: altijd op zoek naar oplossingen voor problemen waarvan ik alleen maar kon hopen dat ze bestonden.

Het meisje schuift de vitrage in het Bloemenhuis opzij, terwijl ze het jongetje bij het raam weghoudt. Ook op andere prenten nemen de meisjes het voortouw. Zo zijn de meisjes in het vroege werk van Cramer ondernemend, actief, soms wat wantrouwig, soms ronduit droevig – altijd esthetisch aantrekkelijk getekend, nooit lieflijk.

 

Ik kijk, mijn middag met Cramers archief, ook lang naar de afbeelding van katten op theevisite. Cramer hield van katten, ze zou ze vaker tekenen, maar op deze prent zijn haar katten geen katten maar mensen. De linker kat klaagt ergens over, zo te zien. De rechter kat kijkt bezorgt of is verveeld – dit is inderdaad hoe theevisite gaat. Al zijn er nog zo veel gebakjes en is het nog zo behaaglijk, komen we bij elkaar op bezoek zullen we altijd roddelen, altijd klagen.

Zo toont Cramers werk volwassenen in al hun onhebbelijke facetten, ook wanneer het wordt bevolkt door katten.

 

Een eigen verhaal verzinnen

 

Ondertussen dragen de tekeningen van Cramer een zekere ambivalentie in zich, een gelaagdheid die de populariteit ervan zou kunnen verklaren. Een goede illustratie vertelt ons meer dan het verhaal waar het bij hoort. Een perfecte illustratie, daarentegen, laat ons ook nog een eigen verhaal verzinnen.

Is de kleine zeemeermin gelukkig? Is Assepoester een slachtoffer of een aanstelster? Zijn al die kinderen eigenlijk aardig? Kijk naar Cramers tekeningen en het antwoord blijft onzeker.

 

Die ambivalentie zit veel minder in Cramers latere kinderboekenillustraties – die met de ‘stevigere omtreklijnen’ Ik geef toe dat ook ik dit werk minder aantrekkelijk vind, al staat het me tegen het als oninteressant af te doen.

De kindergezichtjes zijn minder gedetailleerd en vrolijker. Sommige hebben iets griezeligs: de gezichtjes zijn zo gepolijst en onbeweeglijk dat ze menselijk én onmenselijk lijken – net als robots, en poppen.

Cramer hield niet alleen van katten, ze was ook dol op poppen, heb ik gelezen.

Ze zal die honderden latere tekeningen dus niet griezelig bedoeld hebben. Misschien waren ze een ode aan ons idee van kinderlijke onschuld, misschien een knieval voor de commercie (het was het werk waarmee ze het meest zou verdienen) – dat maakt mij niet zoveel uit, geloof ik.

Cramers ontwikkelde een geheel eigen, herkenbare stijl en zou voor altijd van haar werk kunnen leven. Zo zie ik Cramer voor me als de Assepoester die ze tekende. Een heldin die wist waar ze mee bezig was.